In dit hoofdstuk nemen we u kort mee in de belangrijkste effecten van deze begroting en de wijze waarop deze begroting zich verhoudt tot de kadernota die u eerder dit jaar hebt vastgesteld. Dit hoofdstuk is daarmee niet zozeer een samenvatting van de beleidsvoorstellen die u in deze begroting leest, maar een vertaling van wat deze voorstellen betekenen voor onze financiële huishouding. Daarmee geven we een beeld van de impact van de voorstellen die u in dit boekwerk kunt lezen op onze financiële huishouding en de lastendruk voor onze inwoners.
Voor u ligt een begroting die in lijn ligt met de Voorjaarsnota van dit jaar. Dat betekent een licht overschot in alle begrotingsjaren. Een begroting ook waarin de lokale lasten beperkt stijgen, ondanks de veelheid aan opgaven en de teruglopende structurele financiering van het rijk. We zijn de afgelopen jaren gestart met veel grote opgaven. Dit doen we binnen een financieel perspectief dat nog steeds onder druk staat. Om dit het hoofd te bieden hebben we de voorstellen uit categorie ‘A’ uit het Maatregelenpakket dat u bij de Voorjaarsnota heeft vastgesteld, verwerkt in deze begroting. Categorie ‘A’ betrof de maatregelen die we sowieso zouden gaan verwerken in deze begroting. De voorstellen uit categorie ‘B’ zouden we alleen verwerken als het begroting saldo daar om vraagt.
Er blijven echter veel onzekerheden bestaan. Deze onzekerheden zitten met name in de hoogte van onze Algemene Uitkering. Zo wil het rijk naar een nieuwe financieringsmethodiek met meer ruimte voor het eigen belasting gebied, maar heeft daar nog altijd geen invulling aan gegeven. Vooruitlopend op deze ontwikkeling heeft het rijk eerder vanaf 2026 een structurele uitname (verlaging) van € 3 miljard uit het gemeentefonds gedaan. Hierdoor is het bekende ‘Ravijnjaar 2026’ ontstaan. In de meicirculaire van dit jaar is het ravijn voor 2026 wat kleiner gemaakt, waarmee de tekorten naar achteren zijn geschoven. Het lijkt er nog altijd niet op dat het rijk de gemeenten zal compenseren voor de tekorten die hierdoor ontstaan.
Hetzelfde geldt voor het herijkte verdeelmodel van het gemeentefonds. Vooralsnog wordt het effect op onze gemeente gedempt middels een suppletie uitkering van het rijk, maar dat zal ook op termijn moeten verdwijnen. De evaluatie en eventuele aanpassing van het model laat echter vooralsnog op zich wachten.
Samenvattend
Samenvattend kunnen we concluderen dat er voor alle jaren een begrotingsoverschot is te zien. Voor 2026 wijkt dit in positieve zin af van de Voorjaarsnota, terwijl het voor de jaren daarna in negatieve zin afwijkt. Gezien het feit dat er met toepassing van categorie ‘A’ uit het Maatregelenpakket nog steeds positieve begroting saldi te zien zijn, hoeven we vooralsnog geen aanspraak te maken op de voorstellen uit de ‘B’ categorie uit het Maatregelenpakket.
Er hangen echter nog steeds de nodige onzekerheden boven ons hoofd. Zo is er nog steeds geen zicht op een aanpassing van het herijkte verdeelmodel van de Algemene Uitkering en is er ook nog steeds geen structurele oplossing voor de tekorten in de Jeugdzorg, evenals het ravijnjaar. Aangezien het rijk tot op heden geen structurele compensatie biedt voor de genoemde ontwikkelingen, zullen wij alert moeten blijven op de ontwikkelingen in onze begroting en financiële huishouding. Wij blijven daarom bij het Rijk aandringen op voldoende rijksmiddelen voor de korte en lange termijn.